Rechtbank Amsterdam 28 november 2011 (Wired car), LJN BU8781

Voor zover voor internetrecht van belang: Via advertentie op internet werd aan verdachte een geprepareerde auto aangeboden, die vervolgens door verdachte gekocht is.
Van pseudo-koop in de zin van artikel 126i Sv is sprake als een opsporingsambtenaar goederen afneemt van een verdachte. Het ziet op de situatie dat een opsporingsambtenaar voorwendt dat hij goederen wil afnemen met de bedoeling in te grijpen kort voor of na de transactie en het ziet op de zogenaamde voorkoop: de opsporingsambtenaar neemt goederen af met de bedoeling om vast te stellen of de goederen een ongeoorloofd karakter hebben of dat daarmee een strafbaar feit is gepleegd. In het onderhavige geval was geen sprake van het afnemen van goederen van verdachte. Van pseudodienstverlening in de zin van artikel 126i Sv is sprake als een opsporingsambtenaar diensten verleent aan een verdachte. De rechtbank is van oordeel dat ook hiervan in het onderhavige geval geen sprake is geweest. Het plaatsen van een advertentie kan immers niet worden bestempeld als dienstverlening. Zoals ter terechtzitting door de officier van justitie is toegelicht is slechts een advertentie geplaatst waarop verdachte heeft gereageerd. Deze opsporingshandeling was gezien de omstandigheden op dat moment niet in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Verdachte was op dat moment immers onderwerp van een opsporingsonderzoek, er waren vermoedens van het voorbereiden van overvallen en er was reeds een machtiging tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie verleend. Bovendien is verdachte, doordat hem een auto te koop werd aangeboden, op zichzelf niet aangezet tot het plegen van een strafbaar feit. Voorts is hij niet gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. Voor deze handelwijze was dan ook geen bevel vereist. De informatie die door deze handelwijze is verkregen, behoeft dan ook niet uitgesloten te worden van het bewijs. Wel is de rechtbank van oordeel dat van deze handelwijze een proces-verbaal opgemaakt had moeten worden dat aan het dossier toegevoegd had moeten worden. Dat dit niet is gebeurd is echter geen onherstelbaar vormverzuim waar één van de in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen aan verbonden moet worden.